Halverwege het eerste decennium van deze eeuw kwamen er drie reconstructieprojecten los in Friesland. Kees Sars werd gevraagd om bouwer te zijn van het project palingaak in Heeg. “Ook een palingaak is vrij zwaar en daar profiteert de paling van,” aldus Kees. “Met zijn allen zitten die palingen levend in de bun en in een schip dat weinig beweegt worden die palingen minder snel zeeziek. Dat was weer goed voor de handel, want vette paling levert meer op dan vermagerde exemplaren.”

Dit was een spannende opdracht, want hoe zou dat gaan met een Hollander tussen allemaal Friezen? “Vrijwilligers en stagiairs kwamen uit Friesland en dat klikte goed. ‘Friezen zijn werkers en dat ben jij ook’, hoorde ik al snel. We lagen elkaar wel. En, we werden gastvrij onthaald door Pier Piersma en zijn vrouw Marie. Ook de familie Visserman zorgde ervoor dat we ons thuis voelden in het hoge noorden. De palingaak mochten we bouwen in hun loods. Voor ons was dit de eerst keer binnen bouwen, daarvoor hadden we altijd in weer en wind gestaan. Het was ook een project waar ik in het begin best wel een beetje tegenop zag, omdat de originele Korneliske Ykes gebouwd is door Eeltje Holtrop van der Zee, misschien wel de beroemdste botenbouwer in Friesland.

Leggen van de kielbalk en zetten van de stevens, foto © Sars Houtbouw

Een hele eer om in zijn voetsporen te mogen treden. De tekeningen, het bestek en de stabiliteitsberekening waren in handen van Hans Ritzema en zijn bureau Gaastmeer Design. Hans is ook degene geweest die mij op het spoor van de aak heeft gezet. Ik liep op de Beurs Klassieke Schepen in Enkhuizen en ik hoorde: ‘Bootje bouwen?’ Het was Hans, die ik nog kende uit de tijd dat hij voor Register Holland de Kamper kogge onder keur had gebracht. Er zou een palingaak gebouwd gaan worden in Heeg. Of dat niet iets voor mij was? Ik hoefde hier niet lang over na te denken en na een goed gesprek met het bestuur en Pier Piersma besloten we dat ik de bouwer zou worden. Het voorwerk was klaar, maar wat zat er achter die tekeningen? Sicco van Albada -schrijver van het boek De helling onder Heeg – had zich verdiept in palingaken en had veel historische informatie zoals oude bestekken, rekeningen en foto’s verzameld. Met hem heb ik uitgebreide gesprekken gevoerd. Het door hem aangeleverde materiaal hebben we keer op keer minutieus bekeken om constructiedetails te achterhalen en te weten hoe allerlei onderdelen eruit moesten komen te zien.

Samen met mijn leermeesters Jan Willem Maassen van de Brink en Richard Reijmerink, die beiden het vak nog bij het Utrechts Statenjacht hadden geleerd, begon ik aan de klus. Dagelijks reden Richard en ik vanuit Utrecht naar Heeg. Nynke [Kees zijn vrouw, red.] en ik verhuisden niet meer mee met ons schip. Onze jongens zaten inmiddels op school en dan is op een vaste plek blijven wonen veel handiger. Ik kreeg er dus reistijd bij.” [M2]

Overleg tussen Richard Reijmerink – Jan Willem Maassen van den Brink – Martijn Perdijk en
Kees Sars tijdens het leggen van de deek (dek over de bun), foto © Sars Houtbouw

Ook dit was een leerlingenproject en tijdens het bouwen van de palingaak kwam de zestienjarige Wout Rijpma uit Heeg, aanvankelijk als stagiair, bij de ploeg. Wout was overduidelijk een bouwer in de dop en leerde snel. “Hij werd een echte vakman en bij mijn volgende project werd hij mijn tweede man. Onlangs is hij begonnen als leermeester voor het onderhoud van de Batavia in Lelystad. Geweldig om te zien hoe sommige leerlingen doorgroeien.”

De palingaak is een zwaar schip waar dus ook zwaar en veel hout in zit. “Op enig moment stoomden we een zes centimeter dikke gang voor in de kont, waar een sterke bocht in moest komen. Toen de gang goed heet was, trokken we hem snel met het hele team plus enkele vrijwilligers om de inhouten heen. Hij was onwillig en met duwen, trekken en dommekrachten probeerden we hem tegen de spanten te krijgen. Nog steeds werkte de plank niet mee, waarop Richard besloot een extra dommekracht erbij te zetten tegen de halfsteens buitenmuur van de loods. ‘Stop, stop, stop!’, riep ik, anders drukken we Hylkes hele muur eruit! Uiteindelijk wonnen wij het van de gang.”

Direct naast de aak, op drie meter hoogte, was een gaanderij gemaakt waarop het publiek naar de bouw kon kijken. Zo hoefden bezoekers niet op de werkvloer te komen en dat was wel zo veilig. “Voor de werkomstandigheden was die loods fantastisch, maar de stevens stonden strak tegen de gevels aan, de aak paste er maar net in. Om te bepalen of de zeeg, de langsscheepse lijn, goed loopt, neem ik altijd afstand van een schip. Vooral het zware berghout en het boord moeten goed lopen, want die benadrukken de zeeg. Afstand nemen van de aak lukte hier niet en ik heb heel wat keren op een lange ladder gestaan, zo ver mogelijk weg, om goed te kunnen kijken. Het berghout in de kop en de kont moeten deze een fiere en mooie uitstraling geven. Ik kwam er niet uit. Ik ben toen in Friesland op pad gegaan om vele oude en nieuwere schepen te bekijken. Sommige koppen bekeek ik vanaf een brug, maar dat is zo weet ik nu, geen aanrader. Maak maar eens vanaf een brug een foto schuin van boven van de kop van een soortgelijk schip. Een berghout ziet er vanuit dat perspectief nooit mooi uit. Maar er moest een beslissing genomen worden en op een vrije zondag ben ik met Nynke naar Heeg gereden. We improviseerden een hoog platform in de hoek van de loods en nadat we de hele dag, in alle rust, uit alle hoeken hadden staan turen, hebben we het berghout in de kop afgetekend.”

De kop van de aak staat bijna tegen de deur van de loods, foto © Sars Houtbouw

Dit fragment is afkomstig uit het boek:

Houtenbotenbouwers 2 – Bouwers van bijzondere houten schepen geschreven door Klaas Smit. Het boek is verkrijgbaar op www.spiegelderzeilvaart.nl.